ECLI:NL:HR:2020:32

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 januari 2020
Publicatiedatum
10 januari 2020
Zaaknummer
19/03808
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 457 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens onvoldoende ernstig vermoeden ontoerekeningsvatbaarheid

De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin de aanvrager was veroordeeld voor overtredingen van de Opiumwet. De aanvrager stelde dat een later opgestelde rapportage van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie een ernstig vermoeden wekte dat hij ten tijde van de feiten ontoerekeningsvatbaar was geweest, waardoor het hof hem mogelijk zou hebben ontslagen van alle rechtsvervolging of een minder zware straf zou hebben opgelegd.

De Hoge Raad overwoog dat de rapportage slechts stelde dat ontoerekeningsvatbaarheid niet uitgesloten kon worden en dat deze conclusie bovendien betrekking had op een ander strafbaar feit dan waarvoor de aanvrager was veroordeeld. Daarnaast bevatte de rapportage slechts een niet nader gespecificeerde conclusie over een langdurige psychotische stoornis. Dit maakte het vermoeden te speculatief om te leiden tot herziening.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat het niet opleggen van een ISD-maatregel geen toepassing van een minder zware strafbepaling is zoals bedoeld in de wet, omdat dit geen strafbepaling betreft die een minder zware straf bedreigt.

Daarom werd de aanvraag tot herziening afgewezen wegens het ontbreken van een ernstig vermoeden dat het onderzoek bij bekendheid van de nieuwe gegevens tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of minder zware straf zou hebben geleid.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende ernstig vermoeden van ontoerekeningsvatbaarheid.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/03808 H
Datum14 januari 2020
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 februari 2018, nummers 22/004228-17 en 22/002631-17, ingediend door S. Ben Ahmed, advocaat te Rotterdam,
namens
[aanvrager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft de aanvrager ter zake van “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” en “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv Pro slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2
In de aanvraag wordt aangevoerd dat de – bij de aanvraag gevoegde – Rapportage Pro Justitia van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie van 2 juli 2019 het ernstig vermoeden wekt dat de rechter, indien deze destijds met dit gegeven bekend was geweest, hetzij de aanvrager zou hebben ontslagen van alle rechtsvervolging, hetzij een minder zware strafbepaling zou hebben toegepast. De aanvrager voert daartoe aan dat in voormelde rapportage is geconcludeerd (i) dat de aanvrager vanwege een ernstige psychotische stoornis ten tijde van een vermoedelijk door hem op 24 juni 2018 gepleegd strafbaar feit ten aanzien van dat feit (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar is en ontoerekeningsvatbaarheid niet valt uit te sluiten, en (ii) dat bij de aanvrager al jaren sprake is van een psychotische stoornis. Volgens de aanvrager leiden deze conclusies uit de rapportage ertoe “dat de kans groot is” dat hij ten aanzien van de op 30 mei 2017 en 3 april 2017 gepleegde feiten – waarvoor hij is veroordeeld in de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd – ontoerekeningsvatbaar zou zijn verklaard en zou zijn ontslagen van alle rechtsvervolging, als de rechter destijds met die conclusies bekend was geweest. In ieder geval, zo wordt aangevoerd, zouden voornoemde conclusies – indien zij de rechter ten tijde van de strafoplegging bekend waren geweest – ertoe hebben geleid dat aan de aanvrager vanwege de in 2017 gepleegde feiten niet de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zou zijn opgelegd.
3.3
De in de aanvraag ingenomen stelling dat “de kans groot is” dat de aanvrager ten aanzien van de door hem op 30 mei 2017 en 3 april 2017 gepleegde feiten ontoerekeningsvatbaar zou zijn verklaard, is te speculatief om tot herziening te kunnen leiden. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking (i) dat in de – hiervoor onder 3.2 vermelde – rapportage enkel is geconcludeerd dat “niet valt uit te sluiten” dat de aanvrager ontoerekeningsvatbaar was, (ii) dat deze conclusie in de rapportage uitsluitend is gerelateerd aan een vermoedelijk door de aanvrager op 24 juni 2018 gepleegd strafbaar feit, en (iii) dat de rapportage overigens slechts de niet nader gespecificeerde conclusie bevat dat bij de aanvrager “al jaren” sprake is van een psychotische stoornis. Het aangevoerde wekt derhalve niet een ernstig vermoeden als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv.
Voor zover in de aanvraag wordt aangevoerd dat de rechter geen ISD-maatregel zou hebben opgelegd indien deze met voormelde rapportage bekend was geweest, wordt miskend dat onder ‘een minder zware strafbepaling’ in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder valt niet de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.
3.4
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 januari 2020.