ECLI:NL:HR:2020:300

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 februari 2020
Publicatiedatum
19 februari 2020
Zaaknummer
19/04196
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Gelderland en het verzet tegen een eerdere uitspraak. Hij deed een beroep op betalingsonmacht om het griffierecht niet te hoeven betalen. Na verzoek om aanvullende informatie leverde belanghebbende een verklaring omtrent afwezigheid van vermogen en loonstrookstukken aan.

De Hoge Raad wees het beroep op betalingsonmacht af omdat niet aan de criteria was voldaan. Hierna werd belanghebbende door middel van aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht binnen vier weken. Deze brief werd afgeleverd op het opgegeven adres, maar het griffierecht werd niet voldaan.

De griffier stelde belanghebbende in de gelegenheid om een verklaring te geven voor het niet tijdig betalen, maar de aangevoerde redenen boden geen grond om het verzuim te verwerpen. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/04196
Datum21 februari 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 8 augustus 2019, nrs. AWB 18/4784 en 18/4785, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 14 maart 2019.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld door de griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft belanghebbende een verklaring omtrent afwezigheid van vermogen aan de Hoge Raad geretourneerd. Daarbij heeft hij gevoegd een afschrift van een betalingsspecificatie van het ouderdomspensioen in de maand januari 2019, alsmede een loonstrook van zijn fiscale partner met betrekking tot de periode september 2019.
Naar aanleiding van de door belanghebbende verstrekte gegevens is het beroep op betalingsonmacht bij brief van 27 november 2019 afgewezen, omdat niet is voldaan aan de daarvoor geldende criteria. Tevens is in die brief meegedeeld dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 29 november 2019 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 31 december 2019 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in zijn brief van 17 januari 2020 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2020.