AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verwerping cassatieberoep inzake legitieme portie en gift onder erfrecht
In deze zaak stond de vraag centraal of een gift in de zin van artikel 4:70 BWPro met een bevoordelingsbedoeling de legitieme portie van de eiser beïnvloedt. De eiser had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin het hof het geschil over de legitieme portie had beslecht.
De Hoge Raad heeft de klachten van de eiser beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel te geven, omdat het niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 ROPro.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en de eiser veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, waarbij een specificatie van verschotten en salaris werd gegeven. Hiermee werd het hofarrest bekrachtigd en bleef de rechtspositie van partijen ongewijzigd.
De uitspraak werd gedaan door de vicepresident en raadsheren van de Hoge Raad, waarbij de openbare uitspraak door een raadsheer werd gedaan. De zaak betrof een civielrechtelijke kwestie binnen het erfrecht en de toepassing van wettelijke bepalingen omtrent legitieme portie en giften.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest bekrachtigd met een kostenveroordeling voor de eiser.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer18/04556
Datum14 februari 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser] , wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser] ,
advocaten: D.M. de Knijff en M.S. van der Keur,
tegen
[verweerster] , wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster] ,
advocaat: J.P. Heering.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C14/152996/HA ZA 14-95 van de rechtbank Noord-Holland van 17 juni 2015;
het arrest in de zaak 200.174.752/01 van het gerechtshof Amsterdam van 31 juli 2018.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerster] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerster] mede door H.J.Th. Kolstee.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van [eiser] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.Beslissing
De Hoge Raad: - verwerpt het beroep; - veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 2.049,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 14 februari 2020.