Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
8 december 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 oktober 2019. Hoewel het beroep is ingesteld, zijn namens de verdachte geen cassatiemiddelen ingediend. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Hoge Raad beoordeelt dat de wet voorschrijft dat een advocaat binnen een bepaalde termijn schriftelijk cassatiemiddelen moet indienen. Deze verplichting is niet nagekomen, waardoor de Hoge Raad het beroep niet in behandeling kan nemen. Dit volgt uit artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Op 8 december 2020 verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.