Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
4 februari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 31 januari 2018, waarin verdachte werd veroordeeld voor deelneming aan een organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven, waaronder BTW-fraude. De verdachte werd tevens verweten feitelijke leiding te hebben gegeven aan het opzettelijk niet tijdig doen van aangifte omzetbelasting door een rechtspersoon.
In cassatie heeft de advocaat van verdachte middelen voorgesteld, maar de advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van het hofarrest. Daarbij is op grond van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie besloten geen nadere motivering te geven.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest van het gerechtshof bekrachtigd. De uitspraak is gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, op 4 februari 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof.