Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Op de Centrale Rekening worden de gelden gestort van alle afnemers van het Product. De som van de saldi van de beleggingsgirorekeningen van alle afnemers is gelijk aan de positie van de Stichting op de Centrale Rekening. De Stichting belegt die bijeengebrachte gelden vervolgens, naar gekozen beleggingsprofiel, in financiële instrumenten. De Stichting registreert - met behulp van de voor elke afnemer opgemaakte beleggingsgirorekening - welk vermogen de afnemer heeft gestort, in welke (fracties van) financiële instrumenten dat geld is belegd alsmede de waardeontwikkeling en opbrengsten van elk financieel instrument.
3.Beoordeling van de middelen
De lidstaten moeten bij de selectie van de fondsen die zij als gemeenschappelijke beleggingsfondsen aanmerken de door de Uniewetgever voor de vrijstelling gebruikte bewoordingen eerbiedigen, en bij die selectie ook de doelstelling van de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen en het beginsel van fiscale neutraliteit in acht nemen. Die vrijstelling heeft met name tot doel beleggen in effecten via beleggingsinstellingen voor beleggers te vergemakkelijken door de btw-kosten uit te sluiten en aldus ervoor te zorgen dat het gemeenschappelijke btw-stelsel fiscaal neutraal is wat betreft de keuze tussen rechtstreeks beleggen in effecten en beleggen via gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Icbe’s zijn in elk geval aan te merken als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van artikel 135, lid 1, aanhef en letter g, van BTW-richtlijn 2006. Fondsen die geen icbe’s zijn maar dezelfde kenmerken vertonen als deze instellingen en dus dezelfde handelingen verrichten of op zijn minst daarmee zodanig vergelijkbaar zijn dat zij met deze instellingen concurreren, moeten ook als gemeenschappelijke beleggingsfondsen worden aangemerkt. In alle gevallen geldt dat artikel 135, lid 1, aanhef en letter g, van BTW-richtlijn 2006 alleen ziet op beleggingsfondsen die aan bijzonder overheidstoezicht zijn onderworpen. [3]
De oordelen van het Hof kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht en zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Middel I faalt.
4.Proceskosten
5.Beslissing
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.544 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.