Uitspraak
kantoorhoudende te Utrecht,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
27 november 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een bankgarantie die door een derde ([verweerster]) was gesteld ten behoeve van een failliete vennootschap ([A] B.V.) en was geïnd door de begunstigde (Vormbouw), een boedelschuld of een gewone concurrente schuld vormde. De curator had een tussentijdse uitdelingslijst laten opstellen waarin de vordering van [verweerster] als concurrente schuld was opgenomen. [verweerster] kwam hiertegen in verzet en stelde dat de bankgarantie ten onrechte was geïnd en dat de boedel daardoor ongerechtvaardigd was verrijkt.
De rechtbank had het verzet gegrond verklaard en de vordering als boedelschuld aangemerkt, stellende dat het arbitrale vonnis waarop de curator zich baseerde was gebaseerd op een onjuiste veronderstelling dat de bankgarantie door de failliete vennootschap zelf was gesteld. De Hoge Raad heeft dit oordeel vernietigd. Uit het arbitrale vonnis volgt dat Vormbouw een vordering op [A] had die het bedrag van de bankgarantie oversteeg, zodat de bankgarantie terecht was geïnd en niet onrechtmatig kon worden teruggevorderd.
De Hoge Raad oordeelt dat het verzet van [verweerster] ongegrond is omdat de stelling dat Vormbouw ten onrechte de bankgarantie heeft getrokken niet wordt ondersteund door de feiten en het arbitrale vonnis. Er is geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking van de boedel en dus ook geen boedelvordering van [verweerster]. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het verzet afgewezen.
Uitkomst: Het verzet tegen de tussentijdse uitdelingslijst wordt ongegrond verklaard; de bankgarantie is terecht geïnd en er bestaat geen boedelschuld van de garantsteller.