ECLI:NL:HR:2020:1865

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 november 2020
Publicatiedatum
20 november 2020
Zaaknummer
19/02116
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 SvArt. 511h Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep in cassatie inzake profijtontneming

In deze zaak heeft de betrokkene beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ondanks het instellen van het beroep heeft de betrokkene geen cassatiemiddelen ingediend, wat een vereiste is voor de behandeling van het beroep door de Hoge Raad.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep vanwege het ontbreken van deze middelen. De Hoge Raad toetst vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep en stelt vast dat de betrokkene niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichting om binnen de gestelde termijn schriftelijk klachten in te dienen.

Op grond van artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering kan de Hoge Raad het beroep daardoor niet in behandeling nemen. De Hoge Raad verklaart het beroep dan ook niet-ontvankelijk en spreekt dit arrest uit op 24 november 2020.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van ingediende cassatiemiddelen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/02116 P
Datum24 november 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 april 2019, nummer 21-000552-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de betrokkene een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de betrokkene niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 november 2020.