In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 19 januari 2017. De rechtbank had vastgesteld dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel had verkregen ter waarde van €42.000,- en hem verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank op juiste wijze en op goede gronden bevonden en dit dan ook bevestigd. In aanvulling op het vonnis heeft het hof enkele voetnoten uit het vonnis van de rechtbank verduidelijkt door extra paginaverwijzingen toe te voegen.
Verder constateert het hof dat de redelijke termijn voor berechting is overschreden, wat een schending inhoudt van artikel 6, eerste lid, EVRM. Deze overschrijding is veroorzaakt door een nieuwe inhoudelijke verklaring van een hoofdverdachte in hoger beroep en de daaropvolgende mogelijkheid voor overige verdachten om hierop te reageren. Gezien de geringe overschrijding volstaat het hof met een constatering hiervan zonder verdere gevolgen.
Het arrest is uitgesproken op 24 april 2019 door een meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij de veroordeelde niet aanwezig was.