In deze zaak heeft verzoekster B.V. cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam dat haar verzoek tot faillietverklaring en de erkenning van een steunvordering afwees. De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de rechtbank Amsterdam en het hof Amsterdam voor het geding in feitelijke instanties.
De Hoge Raad heeft de klachten van verzoekster beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Omdat de klachten geen vragen betreffen die relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, is geen nadere motivering vereist.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt verzoekster in de kosten van het cassatiegeding, begroot op een bedrag van € 2.679,07. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer op 20 november 2020.