Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
4 februari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin een klaagschrift op grond van artikel 552a Sv gedeeltelijk gegrond werd verklaard en teruggave van 31 inbeslaggenomen goederen werd gelast. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van de rechtbank dat het belang van de klager bij teruggave zwaarder weegt dan het belang van de strafvordering, zonder nadere motivering, niet begrijpelijk is.
De Hoge Raad benadrukt dat de wet geen mogelijkheid kent voor een voorwaardelijke teruggave van strafvorderlijk inbeslaggenomen voorwerpen. Indien het belang van de strafvordering zich nog verzet tegen teruggave, moet het klaagschrift ongegrond worden verklaard. Is dat niet het geval, dan dient teruggave in de regel te worden gelast. Tevens wijst de Hoge Raad erop dat het niet is toegestaan dat teruggave wordt gelast van voorwerpen die in een andere zaak aan een andere klager zijn toegekend.
Op grond van deze overwegingen vernietigt de Hoge Raad het gedeelte van de beschikking dat betrekking heeft op de teruggave van de 31 goederen en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling en beslissing. Het overige beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking over teruggave van 31 goederen en wijst de zaak terug voor herbehandeling.