ECLI:NL:HR:2020:182

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2020
Publicatiedatum
31 januari 2020
Zaaknummer
19/03638
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking over teruggave inbeslaggenomen goederen wegens gebrek aan motivering

In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin een klaagschrift op grond van artikel 552a Sv gedeeltelijk gegrond werd verklaard en teruggave van 31 inbeslaggenomen goederen werd gelast. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van de rechtbank dat het belang van de klager bij teruggave zwaarder weegt dan het belang van de strafvordering, zonder nadere motivering, niet begrijpelijk is.

De Hoge Raad benadrukt dat de wet geen mogelijkheid kent voor een voorwaardelijke teruggave van strafvorderlijk inbeslaggenomen voorwerpen. Indien het belang van de strafvordering zich nog verzet tegen teruggave, moet het klaagschrift ongegrond worden verklaard. Is dat niet het geval, dan dient teruggave in de regel te worden gelast. Tevens wijst de Hoge Raad erop dat het niet is toegestaan dat teruggave wordt gelast van voorwerpen die in een andere zaak aan een andere klager zijn toegekend.

Op grond van deze overwegingen vernietigt de Hoge Raad het gedeelte van de beschikking dat betrekking heeft op de teruggave van de 31 goederen en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling en beslissing. Het overige beroep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking over teruggave van 31 goederen en wijst de zaak terug voor herbehandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/03638
Datum4 februari 2020
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 28 mei 2019, nummer RK 19/688, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend
door
[klager 5],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover de rechtbank het beklag ten aanzien van bepaalde inbeslaggenomen voorwerpen (voorwaardelijk) gegrond heeft verklaard en de teruggave daarvan heeft gelast per 28 juni 2019 en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het oordeel van de rechtbank dat het belang van de klager bij teruggave van 31 in de beschikking van de rechtbank vermelde goederen “thans, na een half jaar”, zwaarder moet wegen dan het belang van strafvordering, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.3.
2.3
Naar aanleiding van de gegrondverklaring door de rechtbank van het beklag ten aanzien van de hierboven genoemde goederen “per 28 juni 2019” en het gelasten van de teruggave daarvan aan de klager “indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen” merkt de Hoge Raad nog het volgende op. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van een voorwaardelijke beslissing over strafvorderlijk inbeslaggenomen voorwerpen. Is de rechter van oordeel dat het belang van strafvordering zich (nog) verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, dan dient hij het klaagschrift waarin de teruggave van die voorwerpen wordt verzocht ongegrond te verklaren. Is daarvan geen sprake, dan dient in de regel teruggave te worden gelast (vgl. HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1692).
2.4
De wet voorziet er ook niet in dat - zoals in de onderhavige zaak en de daarmee samenhangende zaak met nummer 19/03650 is beslist - de teruggave wordt gelast van voorwerpen ten aanzien waarvan in een andere zaak een last tot teruggave aan een andere klager is of wordt gegeven.
2.5
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover betrekking hebbend op de 31 voorwerpen ten aanzien waarvan het beklag “per 28 juni 2019” gegrond is verklaard en waarvan de teruggave aan de klager is gelast “indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen”;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt behandeld en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 februari 2020.