Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Nadere beoordeling van het middel
3.Proceskosten
4.Beslissing
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over de toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) op een inwoner met een beperkte dienstbetrekking in Duitsland (mini-job).
De Hoge Raad heeft voorafgaand een prejudiciële vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op 19 september 2019 oordeelde dat de artikelen 45 en 48 VWEU niet verbieden dat een lidstaat een werknemer die in die lidstaat woont maar onderworpen is aan de socialezekerheidswetgeving van een ander land, uitsluit van de volksverzekeringen van de woonstaat.
Op basis van deze prejudiciële beslissing oordeelt de Hoge Raad dat Nederland niet verplicht is kinderbijslag toe te kennen aan belanghebbende voor de periode waarin zij in Duitsland sociaal verzekerd was. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep voor zover deze de AKW betreft en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank Maastricht. Er worden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en bevestigt dat Nederland niet verplicht is kinderbijslag toe te kennen aan de inwoner met mini-job in Duitsland.