Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
4 februari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak heeft het openbaar ministerie cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin een klaagschrift van de klaagster werd gegrond verklaard met betrekking tot de teruggave van zeven inbeslaggenomen gegevensdragers. De rechtbank had geoordeeld dat het belang van de klaagster bij teruggave zwaarder woog dan het belang van de strafvordering, en had daarom de teruggave gelast, onder de voorwaarde dat het OM op een bepaalde datum nog geen beslissing had genomen.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de wet geen ruimte biedt voor een voorwaardelijke teruggave van strafvorderlijk inbeslaggenomen voorwerpen. Indien het belang van de strafvordering zich nog verzet tegen teruggave, dient het klaagschrift ongegrond verklaard te worden. Is dat niet het geval, dan dient teruggave in de regel te worden gelast.
De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van de beschikking dat betrekking heeft op de zeven gegevensdragers en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor herbehandeling. Het overige beroep wordt verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van een duidelijke motivering en correcte toepassing van de wettelijke regels omtrent teruggave van inbeslaggenomen goederen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking over de voorwaardelijke teruggave van zeven gegevensdragers en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor herbehandeling.