ECLI:NL:HR:2020:175
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Onjuiste tenaamstelling WOZ-beschikking na statutaire naamswijziging BV niet-ontvankelijk bezwaar
Belanghebbende, een besloten vennootschap die in 2015 een statutaire naamswijziging heeft ondergaan, maakte bezwaar tegen een WOZ-beschikking en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting die ten onrechte op naam van de oude naam was gesteld.
De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, wat in hoger beroep werd bevestigd door het Gerechtshof Den Haag, dat oordeelde dat het hier om verschillende rechtspersonen ging die niet met elkaar te vereenzelvigen waren.
De Hoge Raad oordeelde dat een statutaire naamswijziging niet leidt tot het ontstaan van een andere rechtspersoon en dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk was. Daarom vernietigde de Hoge Raad de eerdere uitspraken en droeg de zaak terug aan de heffingsambtenaar voor een nieuwe beslissing op het bezwaar.
Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad het college van burgemeester en wethouders en de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, eerdere uitspraken vernietigd en de zaak terugverwezen naar de heffingsambtenaar voor nieuwe beslissing op het bezwaar.