ECLI:NL:HR:2020:1738
Hoge Raad
- Cassatie
- M.E. van Hilten
- M.W.C. Feteris
- P.M.F. van Loon
- L.F. van Kalmthout
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen deelnemingsvrijstelling voor bezitloze verkoop cum/ex-transacties
Belanghebbende, een marketmaker die actief was in aandelen en opties van het Duitse beursgenoteerde concern [E] AG, voerde cum/ex-transacties uit rond de uitkering van een superdividend in 2007. Hierbij verkocht zij bezitloos 19,5 miljoen aandelen die zij niet juridisch of economisch bezat, met een prijs inclusief dividendwaarde (cum). Om aan haar leveringsverplichting te voldoen, kocht belanghebbende callopties en aandelen ex-dividend en oefende deze uit, wat resulteerde in een surplus aan aandelen en een aanzienlijke winst.
Het geschil betrof de vraag of deze transacties en het behaalde voordeel onder de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 Wet Pro Vpb 1969 vielen. Het Hof oordeelde dat callopties geen deelneming vormden omdat de schrijvers niet beschikten over de onderliggende aandelen bij het sluiten van de optieovereenkomst. De aandelen gekocht op 4 mei 2007 vormden wel een deelneming, maar het voordeel uit de cum/ex-transacties werd niet als voordeel uit hoofde van die deelneming aangemerkt.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof. Uit het Falconsarrest volgt dat de deelnemingsvrijstelling niet geldt voor voordelen uit callopties als de schrijver niet over de aandelen beschikte bij het sluiten. Het cum/ex-voordeel vindt zijn oorsprong in de Duitse dividendbelastingregels en beursregels en niet in het aandeelhouderschap zelf, waardoor het niet onder de deelnemingsvrijstelling valt. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; de deelnemingsvrijstelling is niet van toepassing op bezitloze verkoop van callopties en het cum/ex-voordeel.