ECLI:NL:HR:2020:170
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over netwerkvrijstelling overdrachtsbelasting bij verkrijging zendmasten
Belanghebbende verkreeg in 2010 de juridische eigendom van 170 zendmasten die gebruikt worden voor telecommunicatienetwerken. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op omdat belanghebbende geen aangifte had gedaan.
Het geschil betrof de vraag of de verkrijging van deze zendmasten was vrijgesteld van overdrachtsbelasting op grond van de netwerkvrijstelling in artikel 15, lid 1, aanhef en letter y, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR). Het hof oordeelde dat de zendmasten wel onroerende zaken zijn, maar dat belanghebbende geen net had verkregen zoals bedoeld in de netwerkvrijstelling.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verduidelijkt dat de netwerkvrijstelling alleen geldt voor verkrijging van een net dat bestaat uit kabels of leidingen bestemd voor transport van stoffen, energie of informatie. Zendmasten als bijbehorende faciliteiten kunnen wel tot het onroerend goed behoren waarop de vrijstelling ziet, maar de vrijstelling geldt niet als alleen de zendmasten worden verkregen zonder de essentiële transmissieonderdelen zoals kabels en antennes.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt daarmee dat de netwerkvrijstelling niet van toepassing is op de verkrijging van alleen zendmasten zonder het volledige net.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de netwerkvrijstelling niet geldt voor de verkrijging van alleen zendmasten zonder essentiële transmissieonderdelen.