ECLI:NL:HR:2020:1696

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 oktober 2020
Publicatiedatum
28 oktober 2020
Zaaknummer
20/00976
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak hof over navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2010-2013

Belanghebbende was in hoger beroep gegaan tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2010 tot en met 2013, inclusief de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente en belastingrente. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch had het beroep van belanghebbende afgewezen. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad en voerde diverse klachten aan tegen het hofarrest.

De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de klachten uitvoerig te motiveren, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft het oordeel van het hof ongewijzigd en wordt de navordering en de heffingsrente bevestigd.

Het arrest is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 30 oktober 2020, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het hofarrest bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/00976
Datum30 oktober 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 februari 2020, nrs. 19/00329 tot en met 19/00332, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/1974 tot en met 17/1977) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 2010 tot en met 2013 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente en belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2020.