Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde en het vierde cassatiemiddel
5.Beslissing
27 oktober 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor het beledigen van een politieambtenaar met grove bewoordingen, terwijl zij met haar vierjarige kind in haar auto zat. De politieambtenaar verklaarde dat zij de verdachte had beledigd tijdens de rechtmatige uitoefening van haar bediening. Het hof veroordeelde de verdachte op basis van deze bewezenverklaring.
De Hoge Raad beoordeelde het cassatiemiddel dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd zou zijn wat betreft het verband tussen de belediging en de rechtmatige uitoefening van de bediening. De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie dat de strafverzwaring alleen geldt indien de belediging plaatsvindt tijdens of ter zake van de rechtmatige uitoefening van de bediening.
Uit de bewijsvoering bleek dat de politieambtenaar op het moment van de belediging niet duidelijk werkzaamheden als politiefunctionaris verrichtte, maar met haar kind in de auto zat. Het hof had geen vaststellingen gedaan die het verband met de uitoefening van haar bediening konden ondersteunen. De enkele bevestiging dat zij van de politie was, volstond niet.
Daarom oordeelde de Hoge Raad dat de bewezenverklaring op dit punt onvoldoende gemotiveerd was, vernietigde het arrest van het hof voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft, en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof is vernietigd voor het onderdeel bewezenverklaring en strafoplegging en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde berechting.