Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
6 oktober 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag in een strafzaak over diefstal met braak en inklimming. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf en een schadevergoedingsmaatregel met vervangende hechtenis bij niet-betaling.
In cassatie werd aangevoerd dat de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel onjuist was. De Hoge Raad volgde dit en vernietigde het arrest voor zover deze maatregel werd toegepast, verwijzend naar een eerdere uitspraak waarin werd bepaald dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast in dergelijke gevallen.
Daarnaast werd geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, vanwege te late aanlevering van stukken door het hof. De Hoge Raad achtte dit gegrond en besloot tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met drie maanden.
De Hoge Raad bepaalde dat de schadevergoedingsmaatregel voortaan met gijzeling van gelijke duur kan worden uitgevoerd en stelde de gevangenisstraf vast op twee maanden en drie weken. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De opgelegde gevangenisstraf is verminderd tot twee maanden en drie weken en gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel.