ECLI:NL:PHR:2020:909

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 augustus 2020
Publicatiedatum
6 oktober 2020
Zaaknummer
19/02080
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 6 EVRMArt. 6:4:20 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert straf wegens overschrijding redelijke termijn bij diefstal met braak en inklimming

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens diefstal waarbij braak en inklimming werden toegepast. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd met vervangende hechtenis van dertien dagen.

In cassatie werden twee middelen voorgesteld: het eerste klaagde over de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel, het tweede over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel gegrond was en dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, conform eerdere jurisprudentie.

Het tweede middel werd eveneens gegrond verklaard omdat tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van het dossier bij de Hoge Raad meer dan acht maanden waren verstreken, wat een overschrijding van de redelijke termijn inhoudt. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging en verminderde de straf. Voor het overige werd het beroep verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de gevangenisstraf en bepaalt dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast in plaats van vervangende hechtenis.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02080
Zitting25 augustus 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 16 april 2019 door het gerechtshof Den Haag wegens “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming” veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, waarbij de vervangende hechtenis is bepaald op dertien dagen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelklaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Het middel is, gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast.
Het
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
Het middel is gegrond, nu tussen het instellen van het cassatieberoep op 23 april 2019 en de binnenkomst van het dossier bij de Hoge Raad op 27 januari 2020 meer dan acht maanden zijn verstreken. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.
Beide middelen zijn terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf. Voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast kan de Hoge Raad bepalen dat gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG