ECLI:NL:HR:2020:1555

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 oktober 2020
Publicatiedatum
5 oktober 2020
Zaaknummer
18/02118
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 Sr
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens overlijden betrokkene bij vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene, geboren in 1947, is op 29 september 2019 te Altea (Spanje) overleden. Het beroep in cassatie is ingesteld door de betrokkene, maar er zijn geen cassatiemiddelen ingediend namens hem.

De advocaat-generaal concludeerde dat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit volgt uit artikel 69 van Pro het Wetboek van Strafrecht, dat bepaalt dat door het overlijden van de betrokkene het recht tot het instellen of voortzetten van strafvervolging en ook het recht tot het aanvangen of voortzetten van een procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vervalt.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en de rechtbank en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering. Hiermee wordt bevestigd dat de procedure tot ontneming niet kan worden voortgezet na het overlijden van de betrokkene, conform eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2008:BC6732).

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming wegens het overlijden van de betrokkene.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/02118
Datum6 oktober 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 5 december 2017, nummer 22/005375-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep en bij aanvullende conclusie tot vernietiging van de uitspraak van het gerechtshof Den Haag en van het vonnis van de rechtbank Den Haag en tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vordering.

2.Overlijden van de betrokkene

2.1
Volgens een aan de Hoge Raad overgelegd, door de directeur van de Dienst Publieke Zaken van de gemeente Den Haag gewaarmerkt uittreksel van een akte van de burgerlijke stand van de gemeente Altea (Spanje) is de betrokkene op 29 september 2019 te Altea (Spanje) overleden.
2.2
Mede gelet op de wetsgeschiedenis moet artikel 69 van Pro het Wetboek van Strafrecht zo worden uitgelegd dat door de dood van de betrokkene niet alleen het recht tot het instellen of voortzetten van een strafvervolging tegen hem vervalt, maar ook het recht tot het aanvangen of voortzetten van een procedure tegen hem tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (vgl. HR 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6732).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 januari 2015;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 oktober 2020.