Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Overlijden van de betrokkene
3.Beslissing
6 oktober 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene, geboren in 1947, is op 29 september 2019 te Altea (Spanje) overleden. Het beroep in cassatie is ingesteld door de betrokkene, maar er zijn geen cassatiemiddelen ingediend namens hem.
De advocaat-generaal concludeerde dat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit volgt uit artikel 69 van Pro het Wetboek van Strafrecht, dat bepaalt dat door het overlijden van de betrokkene het recht tot het instellen of voortzetten van strafvervolging en ook het recht tot het aanvangen of voortzetten van een procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vervalt.
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en de rechtbank en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering. Hiermee wordt bevestigd dat de procedure tot ontneming niet kan worden voortgezet na het overlijden van de betrokkene, conform eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2008:BC6732).
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming wegens het overlijden van de betrokkene.