ECLI:NL:HR:2008:BC6732
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohamn
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ontnemingsprocedure wegens overlijden betrokkene
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, gericht tegen een betrokkene die inmiddels was overleden. Het gerechtshof had de betrokkene veroordeeld tot betaling van een bedrag van €110.000 aan de Staat. Na overleg van een akte waaruit het overlijden van de betrokkene bleek, heeft de Hoge Raad ambtshalve beoordeeld of de procedure voortgezet kon worden.
De Hoge Raad overwoog dat artikel 69 van Pro het Wetboek van Strafrecht zo moet worden uitgelegd dat met het overlijden van de betrokkene niet alleen het recht tot strafvervolging vervalt, maar ook het recht tot het aanvangen of voortzetten van een procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit volgt mede uit de wetsgeschiedenis en de memorie van toelichting bij de wet van 10 december 1992, waarin wordt aangegeven dat de maatregel van ontneming weliswaar een vermogenssanctie is, maar dat het niet vanzelfsprekend is dat deze ook na overlijden van de betrokkene kan worden uitgevoerd.
Gelet hierop kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraak van het gerechtshof, behoudens voor zover de uitspraak van de rechtbank is vernietigd, en verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de betrokkene. Hiermee wordt de procedure beëindigd vanwege het overlijden van de betrokkene.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens het overlijden van de betrokkene en vernietigt de bestreden uitspraak.