Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
6 oktober 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 februari 2019, waarin de verdachte werd veroordeeld voor feitelijk leiding geven aan het doen van opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting en valsheid in geschrift, waaronder het valselijk laten opmaken en gebruiken van authentieke notariële akten.
De verdediging voerde onder meer aan dat het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk was verklaard vanwege verjaring en dat het hof onterecht de samenloopbepalingen had verworpen, waardoor zowel de strafbepalingen inzake valsheid als die inzake het gebruik van valse geschriften werden toegepast.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het cassatieberoep wordt derhalve verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.