Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
6 oktober 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake medeplegen van uitkeringsfraude. De verdachte stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat het benadelingsbedrag in een administratieve procedure op nihil was vastgesteld, en daarmee de vervolging in strijd zou zijn met de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude.
De Hoge Raad verwijst naar een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2020:1496) waarin de gronden voor afwijzing van dit middel zijn uiteengezet en concludeert dat het middel niet tot cassatie leidt. Daarnaast beoordeelt de Hoge Raad andere klachten van de verdachte, maar acht motivering niet nodig omdat deze niet van belang zijn voor de rechtsontwikkeling.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en bevestigt dat het OM terecht is vervolgd ondanks het nihil benadelingsbedrag. Het beroep wordt verworpen, waarmee de uitspraak van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.