ECLI:NL:HR:2020:1492

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 2020
Publicatiedatum
23 september 2020
Zaaknummer
19/03066
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid wegens ontbreken causaal verband met loonvordering

In deze zaak stond de vraag centraal of een bestuurder van een vennootschap aansprakelijk kon worden gehouden voor onrechtmatig handelen jegens een werknemer met een opeisbare loonvordering. De werknemer vorderde schadevergoeding omdat de opbrengst van de verkoop van de onderneming door de bestuurder naar zijn privérekening was overgemaakt.

De rechtbank en het hof oordeelden dat er geen causaal verband bestond tussen het handelen van de bestuurder en de gevorderde schade. Het hof wees de vordering af en de Hoge Raad werd gevraagd dit oordeel te toetsen.

De Hoge Raad heeft de motiveringsklachten van de eiser beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat het oordeel niet afwijkt van de geldende rechtspraak en geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling aan de orde zijn.

Het cassatieberoep werd verworpen en de eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding. Hiermee bleef het arrest van het hof in stand dat de bestuurdersaansprakelijkheid afwees wegens het ontbreken van causaal verband met de gevorderde schade.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bestuurdersaansprakelijkheid wordt afgewezen wegens ontbreken van causaal verband.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/03066
Datum25 september 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: M.E. Bruning,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak 5443084/CV EXPL 16-16060/406 van de kantonrechter te Arnhem van 11 januari 2017 en 14 juni 2017;
de arresten in de zaak 200.224.063 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2018 en 26 maart 2019.
[eiser] heeft tegen het arrest van 26 maart 2019 van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
25 september 2020.