ECLI:NL:HR:2020:1449
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat WOZ-waarde op grond van artikel 28 Wet WOZ lager kan zijn dan initiële beschikking
Belanghebbende, samen met zijn zus erfgenaam van een woning, maakte bezwaar tegen de WOZ-waardebeschikkingen voor 2015 en 2016. De initiële waarderingen bedroegen respectievelijk €522.000 en €517.000. Na verzoeken stelde de heffingsambtenaar op grond van artikel 28 Wet Pro WOZ lagere waarden vast: €490.000 voor 2015 en €475.000 voor 2016.
Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat de lagere waardestelling op grond van artikel 28 Wet Pro WOZ mogelijk is en dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan dat de initiële waarderingen niet juist waren. Het Hof verwees naar een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2013 dat een beschikking op grond van artikel 26 Wet Pro WOZ een nieuwe waardevaststelling inhoudt, en paste deze lijn toe op artikel 28.
Belanghebbende voerde in cassatie aan dat een waardebepaling op grond van artikel 28 niet Pro lager mag zijn dan de initiële beschikking, maar dit werd door de Hoge Raad verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat artikel 28 een Pro nieuwe waardevaststelling betreft, waardoor een lagere waarde mogelijk is. De overige klachten werden niet inhoudelijk behandeld omdat ze niet van belang zijn voor de rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de WOZ-waarde op grond van artikel 28 Wet WOZ lager kan zijn dan de initiële beschikking.