ECLI:NL:HR:2020:1449

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 september 2020
Publicatiedatum
17 september 2020
Zaaknummer
19/03196
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Wet WOZArt. 22 Wet WOZArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat WOZ-waarde op grond van artikel 28 Wet WOZ lager kan zijn dan initiële beschikking

Belanghebbende, samen met zijn zus erfgenaam van een woning, maakte bezwaar tegen de WOZ-waardebeschikkingen voor 2015 en 2016. De initiële waarderingen bedroegen respectievelijk €522.000 en €517.000. Na verzoeken stelde de heffingsambtenaar op grond van artikel 28 Wet Pro WOZ lagere waarden vast: €490.000 voor 2015 en €475.000 voor 2016.

Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat de lagere waardestelling op grond van artikel 28 Wet Pro WOZ mogelijk is en dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan dat de initiële waarderingen niet juist waren. Het Hof verwees naar een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2013 dat een beschikking op grond van artikel 26 Wet Pro WOZ een nieuwe waardevaststelling inhoudt, en paste deze lijn toe op artikel 28.

Belanghebbende voerde in cassatie aan dat een waardebepaling op grond van artikel 28 niet Pro lager mag zijn dan de initiële beschikking, maar dit werd door de Hoge Raad verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat artikel 28 een Pro nieuwe waardevaststelling betreft, waardoor een lagere waarde mogelijk is. De overige klachten werden niet inhoudelijk behandeld omdat ze niet van belang zijn voor de rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de WOZ-waarde op grond van artikel 28 Wet WOZ lager kan zijn dan de initiële beschikking.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/03196
Datum18 september 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE VUGHT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraken van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 mei 2019, nrs. 18/00186 en 18/00187, op de hoger beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Oost-Brabant (nrs. SHE 17/1102 en 17/1103) betreffende de beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor de jaren 2015 en 2016 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] . De uitspraken van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
Eerst daarna heeft de Hoge Raad vastgesteld dat twee beroepschriften in cassatie zijn ingediend met betrekking tot twee verschillende belastingjaren, deze ter griffie abusievelijk onder één zaaknummer zijn geregistreerd en het verweerschrift en de conclusies van repliek en dupliek kennelijk abusievelijk niet op beide beroepen in cassatie betrekking hebben. Na daartoe geboden gelegenheid heeft het College een aanvullend verweerschrift ingediend en belanghebbende een aanvullende conclusie van repliek.

2.Beoordeling van de klachten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft samen met zijn zus een woning verkregen uit de nalatenschap van [A] (hierna: erflater), overleden op 9 juli 2012.
2.1.2
De waarde van de woning voor de jaren 2015 en 2016 was naar de peildata 1 januari 2014 respectievelijk 1 januari 2015 ten aanzien van de erfgenamen van erflater bij beschikkingen vastgesteld op € 522.000 respectievelijk € 517.000.
2.1.3
De heffingsambtenaar van de gemeente Vught (hierna: de heffingsambtenaar) heeft, na daartoe strekkende verzoeken, aan belanghebbende op 13 november 2016 op grond van artikel 28 Wet Pro waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) beschikkingen voor de jaren 2015 en 2016 afgegeven. Daarbij heeft hij de waarde voor het jaar 2015 vastgesteld op € 490.000 en voor het jaar 2016 op € 475.000.
2.2.1
Voor het Hof was in geschil of de waarde van de woning naar de peildata 1 januari 2014 en 1 januari 2015 op een te hoog bedrag is vastgesteld.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de waarde van de woning naar de peildata 1 januari 2014 en 1 januari 2015 niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. Daarbij heeft het Hof geoordeeld dat de waardevaststelling op grond van beschikkingen op grond van artikel 28 Wet Pro WOZ lager kan zijn dan de waardevaststelling op grond van de initiële beschikkingen. Het Hof heeft hiervoor verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3934, waarin is geoordeeld dat de beschikking op grond van artikel 26 Wet Pro WOZ een nieuwe waardevaststelling behelst en niet slechts de bekendmaking van een reeds eerder ten aanzien van een andere persoon genomen besluit aangaande de waardevaststelling. Het Hof heeft geoordeeld dat dit ook geldt voor een beschikking op grond van artikel 28 Wet Pro WOZ.
2.3
Voor zover belanghebbende in cassatie zijn in hoger beroep gehouden betoog dat de waardebepaling op grond van een beschikking op de voet van artikel 28 Wet Pro WOZ niet lager kan zijn dan de initiële beschikking handhaaft, faalt het. Daarbij is van belang dat de beschikking op grond van artikel 28 Wet Pro WOZ een nieuwe waardevaststelling behelst (vgl. rechtsoverweging 4.3 van het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3934). Het oordeel van het Hof geeft daarom niet blijk van onjuiste rechtsopvatting.
2.4
De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2020.