Uitspraak
gevestigd te Oosterhout,
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
31 januari 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft de vraag of een huurder verplicht is periodieke aansluitkosten te betalen voor een warmte- en koudeopslag-installatie (WKO-installatie) op grond van een schriftelijke overeenkomst en of deze verplichting anderszins kan volgen uit ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatige daad.
De huurder had een overeenkomst gesloten met Deem voor levering van warmte, warm tapwater en koude, waarbij algemene voorwaarden van toepassing waren. Deem bracht vanaf 2014 naast variabele kosten ook een vaste periodieke aansluitbijdrage in rekening. De huurder betwistte deze kosten en vorderde terugbetaling, stellende dat hierover geen overeenstemming bestond.
De kantonrechter wees de vorderingen van de huurder af, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat de overeenkomst geen grondslag bood voor de aansluitbijdrage en dat de huurder deze kosten onverschuldigd had betaald. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof over de uitleg van de overeenkomst en wijst het cassatieberoep van Deem af. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het beroep van Deem op ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad niet toewijsbaar is, omdat de onduidelijkheid in de overeenkomst voor rekening van Deem komt.
Uitkomst: Deem mag de periodieke aansluitkosten niet in rekening brengen en de vordering tot betaling wordt afgewezen.