ECLI:NL:HR:2020:1389
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2015. Het beroepschrift bevatte niet de vereiste gronden van het beroep zoals voorgeschreven in artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb, en deze zijn ook niet binnen de gestelde termijn aangeleverd.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen zes weken te herstellen. Deze termijn is verstreken zonder dat de gronden tijdig zijn ingediend. Een brief die na afloop van de termijn is ontvangen, is buiten beschouwing gelaten.
Daarom heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 6:6 Awb Pro. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest is gewezen door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2020.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden binnen de gestelde termijn.