ECLI:NL:HR:2020:1386

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 september 2020
Publicatiedatum
8 september 2020
Zaaknummer
20/00463
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een belastingzaak. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht en hiervoor termijnen gesteld. Deze aanmaningen zijn wegens onbestelbaarheid teruggezonden, waarna het stuk alsnog per gewone post is verzonden.

Ondanks deze inspanningen heeft belanghebbende het griffierecht niet betaald binnen de gestelde termijn. Ook heeft belanghebbende niet tijdig gereageerd op de uitnodiging om een reden te geven voor het niet betalen van het griffierecht. Een later ingediend beroep op betalingsonmacht is door de Hoge Raad als te laat beschouwd.

Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools op 11 september 2020.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/00463
Datum11 september 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 14 november 2019, nr. SGR 18/7846 V op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 21 juni 2019.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 18 april 2020 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is wegens onbestelbaarheid teruggezonden aan de Hoge Raad, waarna adresverificatie heeft plaatsgevonden en het stuk bij gewone brief is verzonden naar het adres van belanghebbende. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 22 mei 2020 in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de dagtekening van deze brief mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Die termijn eindigde op 19 juni 2020. Deze brief is eveneens wegens onbestelbaarheid teruggezonden aan de Hoge Raad, waarna adresverificatie heeft plaatsgevonden en het stuk bij gewone brief is verzonden naar het adres van belanghebbende. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid niet tijdig gebruikgemaakt. Voor zover in haar brief van 21 juli 2020 een beroep op betalingsonmacht wordt gedaan, is dat te laat omdat het niet is gedaan binnen de voor de betaling van het griffierecht gestelde termijn.
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2020.