Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
28 januari 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen de verdachte, geboren in 1968, stond de diefstal met braak centraal. Het gerechtshof Amsterdam had op 13 september 2018 een arrest gewezen waarin de verdachte werd veroordeeld. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, met klachten over de afwijzing van een aanhoudingsverzoek en over de mogelijke cumulatie van straf en ISD-maatregel bij gelijktijdige behandeling van zaken.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet nodig om inhoudelijk te motiveren, omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het beroep is derhalve verworpen. De uitspraak is gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren V. van den Brink en A.E.M. Röttgering op 28 januari 2020 tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.