Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2020:1322

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 augustus 2020
Publicatiedatum
24 augustus 2020
Zaaknummer
19/05591
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 421 lid 4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid benadeelde partij in cassatieberoep wegens ontbreken cassatieberoep verdachte en OM

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. De benadeelde partij stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in cassatie.

De Hoge Raad overwoog dat artikel 421 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering wel voorziet in hoger beroep door een benadeelde partij tegen afwijzing van haar vordering in eerste aanleg indien noch verdachte noch OM hoger beroep instellen, maar dat de wet geen regeling bevat voor cassatieberoep van de benadeelde partij indien haar vordering in appel niet-ontvankelijk is verklaard en noch verdachte noch OM cassatieberoep instellen.

Omdat in deze zaak geen cassatieberoep door verdachte of OM is ingesteld, kan de Hoge Raad het cassatieberoep van de benadeelde partij niet in behandeling nemen. De Hoge Raad verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.

Deze beslissing bevestigt de jurisprudentie dat de benadeelde partij in cassatie niet zelfstandig kan optreden zonder dat verdachte of OM cassatieberoep instellen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wegens ontbreken van cassatieberoep door verdachte of openbaar ministerie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/05591
Datum25 augustus 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 oktober 2019, nummer 21/002216-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.

1.De uitspraak van het hof

Het hof heeft het openbaar ministerie ter zake van het primair en subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging van de verdachte en de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

2.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de benadeelde partij [benadeelde]. Namens deze hebben S.B. Oosterhof, advocaat te Oosterbeek, en Th.O.M. Dieben, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in het cassatieberoep.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Artikel 421 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering voorziet in het instellen van hoger beroep door een benadeelde partij tegen de afwijzing van haar vordering door de rechter in eerste aanleg indien noch de verdachte noch het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld. De wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld. In de strafzaak tegen de verdachte is geen cassatieberoep ingesteld door de verdachte of door het openbaar ministerie. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep van de benadeelde partij niet in behandeling kan nemen. (Vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1277.)

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 augustus 2020.