Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2020:1321

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 augustus 2020
Publicatiedatum
24 augustus 2020
Zaaknummer
19/00941
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 421 lid 4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging poging doodslag en niet-ontvankelijkheid benadeelde partij in cassatie

Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging wegens poging tot doodslag en een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor een jaar gelast. Tevens werd de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij stelde cassatieberoep in tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar vordering tot schadevergoeding. De advocaat-generaal adviseerde tot niet-ontvankelijkheid van dit beroep, omdat noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep had ingesteld.

De Hoge Raad oordeelde dat artikel 421 lid 4 Sv Pro wel het instellen van hoger beroep door de benadeelde partij regelt, maar geen regeling bevat voor cassatieberoep indien het beroep door de appelrechter niet-ontvankelijk is verklaard en geen cassatieberoep door verdachte of OM is ingesteld. Daarom kon de Hoge Raad het cassatieberoep van de benadeelde partij niet in behandeling nemen en verklaarde haar niet-ontvankelijk.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in cassatie en bevestigt het ontslag van rechtsvervolging van de verdachte wegens poging tot doodslag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/00941
Datum25 augustus 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 oktober 2018, nummer 23/003561-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.De uitspraak van het hof

Het hof heeft de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde ‘poging tot doodslag’ ontslagen van alle rechtsvervolging en de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis gelast voor de termijn van een jaar. Daarnaast heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

2.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de benadeelde partij [benadeelde partij]. Volgens de daarvan opgemaakte akte is het beroep beperkt tot de gedeeltelijke afwijzing van de vordering tot schadevergoeding. Namens deze heeft C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in het beroep.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Artikel 421 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering voorziet in het instellen van hoger beroep door een benadeelde partij tegen de afwijzing van haar vordering door de rechter in eerste aanleg indien noch de verdachte noch het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld. De wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld. In de strafzaak tegen de verdachte is geen cassatieberoep ingesteld door de verdachte of door het openbaar ministerie. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep van de benadeelde partij niet in behandeling kan nemen. (Vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1277.)

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 augustus 2020.