Uitspraak
1.De uitspraak van het hof
2.Procesverloop in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.Beslissing
25 augustus 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte en de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad onderzocht de ontvankelijkheid van dit cassatieberoep.
Volgens artikel 421 lid 4 Sv Pro kan een benadeelde partij hoger beroep instellen tegen de afwijzing van haar vordering door de rechter in eerste aanleg indien noch verdachte noch het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld. De wet regelt echter niet de mogelijkheid voor de benadeelde partij om cassatieberoep in te stellen indien haar vordering door de appelrechter niet-ontvankelijk is verklaard en noch verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld.
In deze zaak heeft noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep ingesteld. Daarom kan de Hoge Raad het cassatieberoep van de benadeelde partij niet in behandeling nemen. De Hoge Raad verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.
Deze uitspraak bevestigt de restrictieve toepassing van de ontvankelijkheid van benadeelde partijen in cassatie en sluit aan bij eerdere jurisprudentie (HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1277).
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.