AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging arrest over onrechtmatige geluidshinder en aansprakelijkheid gemeente naast exploitant buurthuis
In deze zaak heeft eiser cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin het hof de gemeente Oosterhout niet aansprakelijk achtte voor geluidshinder veroorzaakt door een buurthuis. De kwestie betrof de vraag of de gemeente, naast de exploitant van het buurthuis, aansprakelijk kon worden gehouden voor onrechtmatige geluidshinder en of sprake was van een onrechtmatige overheidsdaad.
De Hoge Raad heeft de klachten van eiser beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft daarbij geen nadere motivering gegeven omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en eiser veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee blijft de aansprakelijkheidsstelling van de gemeente naast de exploitant van het buurthuis ongegrond. De zaak bevestigt de grenzen van gemeentelijke aansprakelijkheid bij geluidshinder veroorzaakt door derden.
De uitspraak is gewezen door raadsheren Snijders, Sieburgh, Lock en in het openbaar uitgesproken door du Perron op 10 juli 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de gemeente niet aansprakelijk is voor geluidshinder naast de exploitant van het buurthuis.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/01292
Datum10 juli 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaten: M.B.A. Alkema en M. Littooij,
tegen
GEMEENTE OOSTERHOUT, zetelende te Oosterhout,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de gemeente,
advocaat: M.W. Scheltema.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/02/275919 / HA ZA 14-49 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 mei 2014 en 21 september 2016;
het arrest in de zaak 200.205.955/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 december 2018.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De gemeente heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de gemeente mede door S.J.M. Bouwman.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op € 882,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren G. Snijders, als voorzitter, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 10 juli 2020.