ECLI:NL:HR:2020:1212

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2020
Publicatiedatum
2 juli 2020
Zaaknummer
18/05099
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid rechtbank voor ontnemingsvordering bij medeplegen mensenhandel

In deze zaak stond de vraag centraal of de rechtbank Leeuwarden bevoegd was om kennis te nemen van een ontnemingsvordering in een strafzaak over medeplegen mensenhandel, terwijl de oorspronkelijke strafzaak bij de rechtbank Rotterdam was ingediend en het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen per 1 januari 2013 was vervallen.

De betrokkene, geboren in 1971, was onderwerp van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had geoordeeld dat de rechtbank Leeuwarden bevoegd was. De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Uiteindelijk werd het beroep verworpen en bleef de bevoegdheid van de rechtbank Leeuwarden gehandhaafd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bevoegdheid van de rechtbank Leeuwarden voor de ontnemingsvordering en verwerpt het cassatieberoep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/05099 P
Datum7 juli 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 november 2018, nummer 21/005652-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2020.