Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
7 januari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, over een strafzaak inzake het opzettelijk onjuist doen van verplichte belastingaangifte en het niet tijdig indienen daarvan op Sint Maarten.
De verdachte stelde cassatiemiddelen in tegen het hofvonnis, onder meer over de bewijsmotivering, de opsporingsbevoegdheid van verbalisanten en het fiscale standpunt. De advocaat-generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het hofvonnis konden leiden en dat motivering van dit oordeel niet noodzakelijk was.
Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde geldboete van NAf 3.495.300 naar NAf 3.490.300.
De Hoge Raad vernietigde het hofvonnis uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de geldboete, verminderde deze en verwierp het cassatieberoep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer op 7 januari 2020.
Uitkomst: De geldboete wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, het cassatieberoep wordt verder verworpen.