In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij de betrokkene was veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en hasjiesj. Het hof Amsterdam had toepassing gegeven aan artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) om het wederrechtelijk verkregen voordeel te berekenen en vast te stellen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuist had geoordeeld dat artikel 36e lid 3 Sr van toepassing was, omdat de bewezenverklaarde feiten na 1 juli 2011 waren gepleegd en de betrokkene was veroordeeld voor misdrijven die worden bedreigd met een geldboete van de vierde categorie, terwijl artikel 36e lid 3 Sr alleen geldt voor misdrijven die worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Het hof had ten onrechte bijzondere strafverhogende omstandigheden betrokken bij de beoordeling.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde berechting en afdoening. De overige cassatiemiddelen werden niet besproken vanwege de vernietiging.
De zaak betrof een belangrijke juridische vraag over de juiste toepassing van artikel 36e lid 3 Sr in het kader van profijtontneming bij drugsmisdrijven, waarbij de wetsgeschiedenis en de precieze formulering van de wet bepalend waren voor het oordeel.