De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep, hennepteelt en diefstal van elektriciteit. Het hof had op grond van artikel 36e lid 3 Sr het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat en ontneming toegewezen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 36e lid 3 Sr was voldaan. De wet vereist dat het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld, naar wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. De betrokkene was echter veroordeeld voor misdrijven die worden bedreigd met een geldboete van de vierde categorie. Het hof had geen rekening mogen houden met bijzondere strafverhogende omstandigheden om aan de voorwaarde te voldoen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe berechting en beslissing. De bespreking van het tweede cassatiemiddel is achterwege gelaten vanwege de vernietiging.
De uitspraak benadrukt de strikte toepassing van artikel 36e lid 3 Sr en de uitsluiting van bijzondere strafverhogende omstandigheden bij de beoordeling van de toepassingsvoorwaarde voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.