ECLI:NL:HR:2020:1111
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid Inspecteur tot correctie eigenwoningrente bij fiscale partners
Belanghebbende en zijn partner deden aangifte inkomstenbelasting over 2015 waarbij de negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning werden verdeeld volgens hun gekozen verhouding. De partner had een lening afgesloten met een rente van 9%, waarvan 58% van het negatieve inkomen bij belanghebbende werd opgegeven. De Inspecteur corrigeerde bij belanghebbende de aftrekbare rente tot 4,5%, omdat hij het rentepercentage van 9% onzakelijk achtte.
Het geschil betrof de vraag of de Inspecteur bevoegd was om de aangifte van belanghebbende te corrigeren, terwijl de woning door de partner was verworven. Het Hof oordeelde dat de aanslag van belanghebbende zelfstandig wordt vastgesteld en dat belanghebbende geen rechten kan ontlenen aan de aanslag van de partner.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de wet de inkomsten uit eigen woning als gemeenschappelijk inkomensbestanddeel aanmerkt, dat bij de partners wordt toegerekend volgens de verdeling bij aangifte. De hoogte van dit bestanddeel kan niet uitsluitend worden vastgesteld door de aanslag van de partner die de woning feitelijk heeft verworven.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de bevoegdheid van de Inspecteur tot correctie bij belanghebbende.