ECLI:NL:HR:2020:1086

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2020
Publicatiedatum
18 juni 2020
Zaaknummer
19/02000
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4:20 SvArt. 6 WVW 1994Art. 8 WVW 1994Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofuitspraak inzake vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel na verkeersongeval

Op 3 september 2016 vond een verkeersongeval plaats binnen de bebouwde kom van Nijmegen waarbij drie slachtoffers zwaar lichamelijk letsel opliepen. De verdachte reed roekeloos, onder invloed en te hard, en probeerde aan de politie te ontsnappen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde de verdachte en legde hem een schadevergoedingsmaatregel op ten behoeve van een slachtoffer, waarbij vervangende hechtenis werd toegepast bij niet-betaling.

De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad beoordeelde de klachten, maar verwierp deze zonder nadere motivering, omdat ze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Ambtshalve onderzocht de Hoge Raad het deel van het arrest waarin vervangende hechtenis werd toegepast.

De Hoge Raad vernietigde dit deel van het arrest, verwijzend naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:HR:2020:914), en bepaalde dat in plaats daarvan gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast op grond van artikel 6:4:20 Sv Pro. Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen. Hiermee is de toepassing van vervangende hechtenis in deze context gecorrigeerd en verduidelijkt.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt ambtshalve het deel van het hofarrest waarin vervangende hechtenis is toegepast en bepaalt dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/02000
Datum7 juli 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 april 2019, nummer 21-002888-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest genoemde aantal dagen hechtenis.
3.2
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2020.