Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2020:1074

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2020
Publicatiedatum
17 juni 2020
Zaaknummer
19/02310
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering afwijzing getuigenverzoek in zaak vervalste kredietovereenkomst

In deze strafzaak stond de verdachte terecht wegens het opzettelijk gebruikmaken van een vervalste kredietovereenkomst en bankafschriften om krediet te verkrijgen, zoals bedoeld in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had het verzoek van de verdediging om een bepaalde persoon als getuige te horen afgewezen. Deze getuige zou de kredietaanvraag hebben ingediend en de documenten hebben vervalst.

De verdediging betoogde dat de getuige bereid was te verklaren dat hij de papieren had ingevuld en ingediend, en dat de verdachte geen weet had gehad van de vervalsing. Het hof motiveerde zijn afwijzing echter onvoldoende en liet na te onderbouwen waarom het horen van deze getuige niet relevant zou zijn voor het verdedigingsbelang.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof tekort was geschoten in zijn motivering en dat het belang van het horen van de getuige niet was weersproken. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof, voor zover het de afwijzing van het getuigenverzoek en de strafoplegging betreft, en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling van deze onderdelen.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij het afwijzen van verzoeken tot het horen van getuigen, zeker wanneer dit relevant kan zijn voor de beoordeling van schuld en strafmaat.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling van het getuigenverzoek en de strafoplegging.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/02310
Datum30 juni 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 mei 2019, nummer 21-006649-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte.
Volgens de daarvan opgemaakte akte is het beroep niet gericht tegen de vrijspraken van de feiten 1 primair, 2 en 3.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het door de verdediging gedane verzoek [betrokkene 1] als getuige te horen.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 subsidiair tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 juni 2020.