Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beslissing
16 juni 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor het overtreden van bepalingen uit artikel 2.2 van de Wet Dieren, met name het onvolledig bijhouden van een register zoals voorgeschreven in artikel 2.2 lid 10 onder I van de Wet Dieren en artikel 2.10 van het Besluit houders van dieren. Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte eerder veroordeeld. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, waarbij één middel later werd ingetrokken.
De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft vervolgens de resterende klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet inhoudelijk, omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling of rechtsvorming bevatten, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 16 juni 2020, waarbij de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage betrokken waren. Het beroep is verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand.