Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
18 juni 2019.
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene, die de cassatie had ingesteld, heeft echter geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat door het niet tijdig indienen van een schriftuur houdende middelen van cassatie, het voorschrift van artikel 437, tweede lid, in verbinding met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering niet was nageleefd.
Daarom kon de betrokkene niet worden ontvangen in het beroep en verklaarde de Hoge Raad hem niet-ontvankelijk. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.