ECLI:NL:HR:2019:955

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2019
Publicatiedatum
13 juni 2019
Zaaknummer
19/02193
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 lid 4 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk tegen verzetuitspraak Centrale Raad van Beroep

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 maart 2019, die betrekking had op het verzet tegen een eerdere uitspraak van dezelfde raad. De Hoge Raad beoordeelt de ontvankelijkheid van dit beroep in cassatie aan de hand van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Uit deze wettelijke bepaling volgt dat de Hoge Raad alleen kennis kan nemen van cassatieberoepen tegen bestuursrechterlijke uitspraken indien de wet dit expliciet toestaat. In deze zaak is geen wettelijke grondslag aanwezig voor cassatie tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep die is gedaan op verzet tegen een uitspraak op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Tevens ziet de Hoge Raad geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende op te leggen. Het arrest is op 14 juni 2019 in het openbaar gewezen door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/02193
Datum14 juni 2019
ARREST
In de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 maart 2019, nr. 18/2736 WAO-V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep betreffende een verzoek van belanghebbende tot herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 mei 2018.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep als deze, die is gedaan op verzet tegen een met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro gedane uitspraak. Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2019.