ECLI:NL:HR:2019:955
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk tegen verzetuitspraak Centrale Raad van Beroep
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 maart 2019, die betrekking had op het verzet tegen een eerdere uitspraak van dezelfde raad. De Hoge Raad beoordeelt de ontvankelijkheid van dit beroep in cassatie aan de hand van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Uit deze wettelijke bepaling volgt dat de Hoge Raad alleen kennis kan nemen van cassatieberoepen tegen bestuursrechterlijke uitspraken indien de wet dit expliciet toestaat. In deze zaak is geen wettelijke grondslag aanwezig voor cassatie tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep die is gedaan op verzet tegen een uitspraak op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Tevens ziet de Hoge Raad geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende op te leggen. Het arrest is op 14 juni 2019 in het openbaar gewezen door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag.