Uitspraak
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
14 juni 2019.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de man tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep. Volgens artikel 426 lid 1 Rv Pro moest het cassatieberoep binnen drie maanden na de uitspraak van het hof worden ingesteld. Deze termijn verstreek op 1 februari 2019. Het verzoekschrift werd echter pas op 4 februari 2019 ingediend, waardoor het beroep te laat werd ingediend.
Daarnaast was het verzoekschrift niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist is op grond van artikel 426a lid 1 Rv. Dit verzuim werd niet tijdig hersteld. De Advocaat-Generaal adviseerde daarom om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn cassatieberoep.
De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde de man niet-ontvankelijk. De vrouw, als verweerder in cassatie, was niet verschenen en heeft geen verweerschrift ingediend. De beschikking werd gegeven door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Kroeze en Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door Polak.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en ontbreken handtekening advocaat.