Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
18 juni 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van witwassen van een jetski die samen met zijn vader was gekocht en contant was betaald. Het hof baseerde de bewezenverklaring onder meer op getuigenverklaringen, bankafschriften en inkomensgegevens van verdachte en medeverdachten.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof in zijn bewijsoverwegingen redengevend heeft geacht dat contante betalingen vaak in aanwezigheid van verdachte en medeverdachten plaatsvonden en dat verdachte wist dat zijn ouders van een beperkte uitkering leefden. Deze feiten en omstandigheden zijn echter niet vermeld in de bewijsmiddelen, noch is met voldoende nauwkeurigheid aangegeven aan welke wettige bewijsmiddelen deze zijn ontleend.
Daarom is de motivering van de bewezenverklaring onvoldoende en wordt het arrest vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.
De Hoge Raad bevestigt hiermee de strenge eisen aan de motivering van redengevende feiten en omstandigheden in bewijsoverwegingen, zoals eerder uiteengezet in HR 24 juni 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF7985).
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.