Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
28 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor poging tot doodslag en bedreiging.
De feiten betreffen een ruzie op straat in Arnhem waarbij verdachte met een mes meerdere malen op twee anderen heeft gestoken en hen daarna in een auto heeft achtervolgd en verbaal met de dood heeft bedreigd.
De Hoge Raad beoordeelde het beroep in cassatie en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 28 mei 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het arrest van het hof in stand blijft.