Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
28 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor rijden onder invloed als beginnend bestuurder en het veroorzaken van gevaar op de weg door te proberen te ontkomen aan aanhouding.
De verdediging verzocht om aanhouding van de procedure vanwege de afwezigheid van de verdachte, die naar Brussel was afgereisd vanwege een familie-incident. Dit verzoek werd door het hof afgewezen op grond van een belangenafweging waarbij het belang van een adequate en snelle afdoening zwaarder woog dan het persoonlijke belang van de verdachte.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel niet tot cassatie kon leiden en dat het niet nodig was om de rechtsvragen nader te motiveren. Hoewel de redelijke termijn zoals bedoeld in het EVRM was overschreden, werd gelet op de korte opgelegde straffen en de mate van overschrijding geen rechtsgevolg verbonden aan deze overschrijding.
Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor rijden onder invloed en gevaar op de weg blijft in stand.