ECLI:NL:HR:2019:809

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 mei 2019
Publicatiedatum
23 mei 2019
Zaaknummer
19/01399
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 AWRArt. 69 AWRArt. 225 SrArt. 420bis SrArt. 457 Sv
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek inzake niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in belastingfraudezaak

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de Rechtbank Gelderland. De verdachte werd verdacht van feitelijke leiding geven aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting, valsheid in geschrift en witwassen.

De aanvraag tot herziening werd ingediend nadat het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk had verklaard wegens te late indiening. De verdediging stelde dat het hoger beroep tijdig was ingesteld door een fax aan de griffie van de rechtbank op de dag van het vonnis, die als bijzondere volmacht tot hoger beroep kon worden uitgelegd.

De Hoge Raad oordeelde echter dat het arrest van het hof geen uitspraak houdende veroordeling is in de zin van artikel 457, eerste lid, Sv, waardoor de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit betekent dat de herzieningsprocedure niet kan worden voortgezet. De Hoge Raad bevestigt hiermee de eerdere jurisprudentie dat een niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep geen veroordeling inhoudt en dus niet vatbaar is voor herziening.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk omdat het bestreden arrest geen veroordeling inhoudt.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/01399
Datum28 mei 2019
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 11 februari 2015, nummer 21/004999-14, ingediend door M.J.N. Vermeij, advocaat te ’s-Gravenhage,
namens
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft de aanvrager niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 december 2013.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

De aanvraag zal niet tot herziening kunnen leiden, reeds omdat het arrest van het Hof tot herziening waarvan de aanvraag strekt, niet is een uitspraak houdende een veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvraag kan daarom – gelet op art. 465, eerste lid, Sv – niet worden ontvangen. (Vgl. met betrekking tot de uitspraak inhoudende de niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep onder meer HR 20 maart 2007, ECLI:NL: HR:2007:BA0995.)

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 mei 2019.