Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
21 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag in Kaatsheuvel. Tijdens een poging tot beroving van zijn hennepkwekerij had de verdachte meermalen met een vuurwapen op een luchtkoker geschoten, waarbij het slachtoffer in de nek werd geraakt.
De verdachte stelde in cassatie onder meer een bewijsklacht en een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad oordeelde dat de bewijsklacht niet tot cassatie kon leiden, maar stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het deel van het arrest dat de duur van de gevangenisstraf betrof en verminderde de straf van zeven jaar naar zes jaar en zes maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 21 mei 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van zeven jaar naar zes jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.